Coming soon!

Een tipje van de sluier over het boek 'Docenten zijn Supermensen' dat in 2019 zal verschijnen! 

De les begint. Een aantal opgewonden leerlingen verzamelt zich rond het bureau van de meester. Dertig pubers die geplaagd worden door hormonen, gebitsbeugels, acne, ouders en nu ook nog door leraren. De verwachtingen zijn hooggespannen. 

"Gaan we wat leuks doen?" Een vraag die iedereen herkent. Is het niet als onderwijsgever, dan wel als leerling, dat zijn we tenslotte allemaal geweest. 

Maar nee. De leraar is verplicht zijn pupillen te gaan lastig vallen met de stelling van Pythagoras, de Duitse naamvallen, ongeslachtelijke voortplanting bij zeeanemonen of een ander boeiend onderwerp. Zie hier, de onmogelijke missie van de onderwijzer! 

Desondanks slagen duizenden leraren er elke dag weer in deze onmogelijke taak, zo goed en zo kwaad als dat gaat, tot een goed einde te brengen. Sterker nog: in amper drie generaties hebben zij gezamenlijk ons land omgetoverd van een ontwikkelingsland tot een natie met het grootste aantal hoogopgeleiden in Europa. In 1820 lag het aantal analfabeten in grote delen van ons land rond de dertig procent. Thans kunnen wij stellen dat rond de vijfentwintig procent van de beroepsbevolking behoort tot de hoogopgeleiden (zij hebben hbo of universitair onderwijs afgerond). Alleen in sommige Scandinavische landen ligt dit percentage hoger. Alle negatieve kritiek op het onderwijs ten spijt, hebben de Nederlandse leraren het gemiddelde onderwijsniveau in ons land, met inspanningen die welhaast bovenmenselijk kunnen worden genoemd, naar een aanzienlijk hoger plan getild. Zij hebben dat gedaan -en doen dat nog steeds!- voor het laagste salaris in Europa en geven daarvoor het grootste aantal lesuren per week.

Om de lezer enig zicht te geven op het werk van deze 'supermensen' is dit boekje geschreven. Zoals reeds gezegd lag het aantal laaggeletterden in Nederland twee eeuwen geleden aanzienlijk hoger dan nu. Dit was de toenmalige politici uiteraard bekend.  In 1874 diende het links-liberale kamerlid Samuel van Houten zijn bekende kinderwet in, die een eind moest maken aan de arbeid van kinderen tot twaalf jaar. Hoewel dit in de praktijk weinig verschil maakte, het werd immers nauwelijks gecontroleerd, was het toch een belangrijk begin. 

Dertig jaar later moest dit begin natuurlijk een noodzakelijk vervolg krijgen, met de invoering van de leerplichtwet. We kunnen het ons nu niet meer voorstellen, maar er waren indertijd veel tegenstanders van dit wetsvoorstel. Zo wilden de Christelijke partijen het bijzonder onderwijs bij wet geregeld hebben en vonden de socialisten het wetsvoorstel niet ver genoeg gaan. In het jaar 1900 kwam het tot een stemming in het parlement, waarbij de voor- en tegenstanders elkaar ongeveer in evenwicht hielden. Wat gebeurde? 

Een bekende tegenstander van de wet: Baron Francis David Schimmelpenninck viel de dag voor de stemming van zijn paard en belandde in het ziekenhuis, zodat hij niet mee kon stemmen. Het wetsvoorstel voor de leerplichtwet, dat kinderen verplichtte van hun zesde tot hun twaalfde jaar onderwijs te volgen, werd aangenomen met vijftig tegen negenenveertig stemmen! De voorstanders meenden over Schimmelpenninck: het paard is verstandiger dan de meester!

Ook werden er –naar goed Nederlands gebruik- natuurlijk direct allerlei rijmpjes op gemaakt:

  Schimmelpenninck en zijne biek (paard)

  Doen Beiden aan de politiek

  De baron zei: tegen zonder manco!

  Maar zijn paard zei: wij stemmen blanco

  Zo werd Borghesius wet

  Door paardenpolitiek gered!

En zo is het dus gekomen dat alle kindertjes naar school moeten! En laten we wél wezen: een school is een bijzonder wonderlijk instituut. Dertig jonge mensen worden in het voortgezet onderwijs elk uur met een andere volwassene opgesloten, die vervolgens gaat proberen ze iets te onderwijzen. Niet voor niets maken kwaadwillende kinderen vergelijkingen met gevangenissen, vooral als het schoolregime streng is. Deze vergelijking –hoewel meestal ingegeven door frustraties en baldadigheid- is misschien niet helemaal onterecht en zouden wij ons als onderwijsgevers misschien wel moeten aantrekken. Het zegt ons in elk geval twee dingen: sommige kinderen hebben het gevoel dat ze van hun vrijheid worden beroofd en ze moeten blijkbaar dingen doen die ze niet willen. Nu weet ik best dat het merendeel van de kinderen de school –gelukkig- helemaal niet zo erg vinden en best plezier hebben in het studeren. Er blijft echter een groep aan wie het allemaal niet besteed is. En de eerlijkheid gebiedt ons op te merken dat het ook helemaal niet leuk is om de gehele dag dingen tegen je zin te moeten doen, constant tegen je beperkingen aan te lopen, lage cijfers te halen en geconfronteerd te worden met straf en boze volwassenen. 

Is dit een pleidooi om het onderwijs dan maar af te schaffen? Natuurlijk niet. Het is misschien wel belangrijk om ook deze kant te onderkennen en het geeft aan hoe belangrijk het is dat voor elk kind het juiste schooltype wordt gevonden.  

Je hoort mensen wel eens zeggen dat de werkelijkheid vaak wonderlijker is dan de fantasie en dat is helemaal waar. Een collega, die reeds vele jaren langer lesgaf dan ik, vertelde mij ooit: ‘In andere beroepen zeggen mensen vaak: op een goed moment in je carrière heb je alles wel gezien en heeft het werk geen verassingen meer voor je. De enige beroepsgroep waarvoor dat niet  geldt is het onderwijs…’  De hierna volgende geschiedenissen vormen het beste bewijsmateriaal voor deze stelling. 

Rest mij nog op te merken dat alle in deze bloemlezing verwoorde stellingen mijn persoonlijke meningen zijn en op geen enkele wijze het gezichtspunt vertegenwoordigen van anderen.

Jos van Bellen

Auteur 'Docenten zijn Supermensen'